De Leer der Gemeente

Bij deel 1-4
Gebrek aan bijbelkennis over het wezen van de Gemeente, leidt tot slecht zicht op haar oorsprong en toekomst, evenals op die van Israël en de volken. Het ‘Lichaam van Christus’ bestaat exclusief uit degenen die sinds Zijn opstanding aan Hem, het Hoofd en Fundament, zijn toegevoegd. Dat impliceert per definitie éénheid, die derhalve niet door mensen hoeft te worden georganiseerd. De ‘levende stenen’ van het huis dat Hij Zélf bouwt, zijn uit de duistere wereld geroepen tot het Licht. Zij vormen de vergadering van eerstgeborenen, de eerstelingen van de oogst die nog moet komen en waarin Israël een voortrekkersrol op aarde zal spelen. Dat volk uit het Oude Verbond zal eenmaal tot geloof gekomen blij ken te delen in het eerstgeboorterecht, zoals Jakob na Ezau óók een zegen kreeg. ‘Ik zal Mijn Gemeente bouwen.’

Bij deel 5-8
In de Bijbel wordt de Gemeente van Christus beschreven als een organisme, een lichaam. Nérgens als een door mensen op te bouwen organisatie. De groei van de Gemeente hangt samen met die van de individuele leden, waarvoor voeding met het Woord van God nodig is. Zij zijn de levende stenen, de eerstelingen die eeuwig leven hebben ontvangen en van wie Christus de Eerste en de Laatste (Alfa en Omega) is. Hij Zélf, het Hoofd, zorgt voor de opbouw, die begon met Zijn opstanding. Voor de groei van het Lichaam is Hij allerminst afhankelijk van de gelovigen, maar zij kunnen in dat proces wél door Hem worden gebruikt onder de heerschappij van de genade. In navolging van Hem mogen zij zich beschikbaar stellen als ‘Gode welgevallig offer’ voor priesterlijke dienst. Voor zover de Heer in deze tijd een werk doet, is dat uitsluitend aan de Gemeente. Pas na haar opname volvoert Hij Zijn plan met de schepping, Israël en de volkeren. ‘Van U zal Mijn lof zijn in een grote Gemeente.’

Bij deel 9-12
Tot zoon te worden gesteld, ter voltooiing van Christus, is zowel de collectieve bestemming van de Gemeente als die van de individuele leden. Wat ná de opname komt, de wederkomst van Christus mét Zijn Lichaam, is de verwachting van de gelovigen. Dan wordt Zijn en daarmee hun heerlijkheid openbaar. Die omvat meer dan eeuwig leven, maar niet alle hemelburgers zullen er evenveel van ontvangen. De volle erfenis ligt klaar, maar er kan sprake zijn van loonderving. De (mate van) zaligheid is afhankelijk van hun dienst in lijdzaamheid aan de Heer, hun wandel ‘in nieuwheid des levens’. Want nú al behoren gelovigen tot de koninklijke familie van Christus, ook al is dat nog niet zichtbaar voor de wereld. Zij worden beloond voor het weerspiegelen van Christus’ heerlijkheid, waarin zij nu al delen. ‘Houd wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.’

Bij deel 13-16
De Gemeente is geen organisatie, die veel menselijke regelgeving zou vergen, maar een door het Hoofd gestuurd geestelijk organisme. Daarin doet de Heer Zijn werk in ieder lid individueel en heeft Zijn Woord het hoogste gezag. Kerkelijke voorschriften, zoals voor tucht en zondagsheiliging, zijn onbijbels. De Schrift adviseert gelovigen wel zich af te keren van wie niet (meer) de ‘gezonde leer’ aanhangen, maar daar is niet gezegd dat de ‘ketters’ in kwestie uit de gemeen schap moeten worden gestoten. Voor het functioneren van de Gemeente zijn weliswaar ambtsdragers nodig, maar niet om over de kudde te heersen. Herders en leraars (opzieners) brengen de kudde bij grazige weiden, waar de schapen zélf voedsel tot zich nemen. De oudsten, maar ook de andere gelovigen, ontvangen mogelijkheden (gaven) om in de gemeente te gebruiken. In de praktijk komt dat neer op het aanvaarden van in genade gegeven verantwoordelijkheid, naar de mate van reeds aanwezig vermogen. Iedere gelovige draagt individueel de verantwoordelijkheid te blijven bij wat de Heer leert. ‘Het huis Gods is gelegd op het fundament van apostelen en profeten. ‘

Spreker: Ab Klein Haneveld

Om de studie te kunnen beluisteren en eventueel te downloaden moet u op deze site zijn ingelogd. Inloggen kan alleen met een account. Vraag hier uw gratis account aan.